donderdag 12 april 2018

Herman Brusselmans – Hij schreef te weinig boeken

Herman Brusselmans schrijft elk jaar minstens twee boeken. Zelf vindt hij dat niet veel. Vorig jaar verscheen onder de grappige titel ‘Hij schreef te weinig boeken’ zijn vijfenzeventigste boek. Het is een dikkerd van meer dan 800 pagina’s.


‘Hij schreef te weinig boeken’ is een dagboek. Het speelt in 2016/2017. Op de kaft staat in kleine letters ‘roman’ vermeld, maar de hoofdpersoon in het boek heet Herman Brusselmans en heeft alle kenmerken van de schrijver Herman Brusselmans. Zelf schrijft hij over een te schrijven boek. “Nou ja, non-fictie of een roman, wat maakt het uit, zolang de woorden maar geschreven zijn met m’n eigen bloed dat bij herinneringen uit mijn eigen ziel is gesijpeld.”

Brusselmans vertelt over zijn dagelijkse beslommeringen: schrijven van columns, kijken van films, drinken van kopjes Nespresso, uit eten gaan in het buurtrestaurant Aba Jour en het roken van eindeloos veel sigaretten. Maar vooral schrijft hij over zijn twee vrouwen: zijn ex en goede vriendin Tania en zijn huidige vijfentwintigjarige vriendin Lena.

Vrij expliciet vertelt hij over alle seks die zij hebben, maar intiemer zijn de ruzies die hij beschrijft. Voortdurend twijfelt hij. Lena woont in Brussel. Zij zien elkaar bij optredens, maar vooral in Gent, thuis bij Brusselmans. Is zij er niet, dan wacht hij op haar berichten. Als zij niet reageert op een bericht of op een televisieoptreden waar hij over haar sprak, dan begint het te malen bij hem. “Uit niets blijkt dat Lena de uitzending gezien heeft. Ofwel het kan haar niet schelen dat ik wel of niet over haar praat op tv. Het blijft een vreemd meisje, en ik vraag mij geregeld af hoe een vreemd meisje mij kan helpen bij het leiden van een leven, mijn leven. Hoe ik haar kan helpen bij het leiden van het hare, daar heb ik ideeën over, maar het heeft, denk ik, weinig zin om die ideeën aan Lena te verkondigen. De liefde is een doolhof, en ieder doolhof heeft een ingang en een uitgang, maar of de liefde die ook heeft, ik twijfel eraan.”

De ruzies later in het boek zijn heftig en duren soms urenlang. Hij vraagt zich af waarom zij haar nummer geeft aan mannen die zij toevallig ontmoet. Zij maakt een verkeerde opmerking in zijn ogen en een ruzie is geboren. Die jaloezie blijft hem achtervolgen, vooral als zij er niet is en hij ’s nachts op zijn Ikea-bank zit te roken. Brusselmans leeft ’s nachts en gaat meestal pas rond 6 uur naar bed. Hij probeert zijn gedachten in te tomen, want niets wijst erop dat Lena het aanlegt met andere mannen. “Ofschoon ik de knop heb omgedraaid komt er af en toe een slijmerige klont twijfelzucht vanonder een steen geglibberd.” Elders schrijft hij, “Lena en ik hebben totaal verschillende karakters, zijn totaal verschillende persoonlijkheden, en zijn als individuen ongeveer als water en vuur, maar we redden het ondertussen al bijna een jaar met elkaar…”.

Deze voortdurende twijfel en de herhalende elementen – vlootjes yoghurt eten, het noemen van het aantal gedronken kopjes koffie, de tv-uitzendingen, de ritjes met TaxiWilly, het drumstel, de whatsApp-berichten – maken dat je tijdens het lezen in een soort roes komt, waarbij je het gevoel hebt dat je heel dicht op zijn huid zit. De kracht zit in de herhaling. Mooi is dat Brusselmans dit telkens weer doorbreekt met een absurd verhaal. Een ontmoeting op straat of bij een optreden mondt zomaar uit in een verhaal over klompvoeten, rolmopsen, een biljartbal in iemands neusgat of een erotische ontmoeting met twee meisjes waarbij een straal diarree de pret bederft. Sowieso heeft Brusselmans iets met pis en poep. Om de haverklap moet er een personage achter een struik schijten.

In deze anekdotes gaat het vaak over zijn jeugd. Hij groeide op in Hamme, in de wijk Theet. Hij wordt dan nostalgisch, denkt terug aan de muziek die hij toen ontdekte en vertelt verhalen over zijn opa. De roman die hij hierover gaat schrijven heet Theet 77. Hij noemt het een onvermijdelijke roman. Het zal zijn laatste boek worden. Maar eerst schrijft hij nog wat andere boeken. Ouder worden is iets waar hij voortdurend aan denkt. Hij nadert de zestig en wil het dan rustiger aan doen, het gaat dan met half-pensioen.

Brusselmans houdt de Vlaamse en Nederlandse literatuur goed bij. Griet op de Beeck en Lize Spit noemt hij vaak, meestal in een absurde en seksistische context. Jeroen Olyslaegers voert hij consequent op als een dwerg met een grote baard. Over anderen schrijft hij serieuzer. Kwaadschiks van A.F.Th. van der Heijden houdt hem in de greep. Hij is uiteindelijk positief over het boek. ‘De hemelse tafel’ van Donald Ray Pollock vindt hij prachtig. Cocaine van Skorobogatov vindt hij niks, net als Pussy album van Stelle Bergsma.

In 2016 is Brusselmans op het Lezersfeest in Rotterdam. Hij noemt de bibliotheek waar het feest zich afspeelt immens. Na afloop van zijn optreden komt er een drieëntachtig jaar oud vrouwtje naar hem toe en zegt: “Dit was vies, dit was het goorste wat ik ooit gehoord heb.” Brusselmans vindt het erg guitig.

Na zo’n avond komt hij na een lange rit met zijn vaste chauffeur thuis en gaat zitten. “Ik zit op de Ikea-bank en hoop van alles het beste.” Het valt niet mee: alle optredens, iedereen die iets van hem wil, hij moet weer de clown uithangen, de stomme pipo’s die hem aanklampen en de meest stomme vragen stellen. Hij reageert vaak laconiek, maakt een grapje. Maar voor je het weet voelt iemand zich weer beledigd. Naar het einde van het boek wordt Brusselmans steeds somberder, zowel over zijn eigen leven als over de wereld. “Vergeet niet dat we in de eenentwintigste eeuw leven en dat die de allerlaatste der eeuwen is.”

‘Hij schreef te weinig boeken’ is een bijzonder boek. Het is hallucinerend vanwege de herhaling, met de juiste doses absurde verhalen erin. En je hebt het gevoel naast hem op de bank te zitten. Het is het beste wat Brusselmans in jaren heeft geschreven. Hij zou er een grote prijs voor horen te krijgen. Het boek kreeg echter weinig aandacht in de literaire pers. Gelukkig trekt de schrijver zich steeds minder aan van wat anderen van hem vinden. Inmiddels is hij zestig geworden. Wat heeft hij nog te verliezen?


“Hoe ouder je wordt, hoe ruimtelijker je je kop moet houden. Ballast verliezen, dat is het belangrijkste wat er is als je eenmaal boven de vijfenvijftig jaar komt en de dood je gezelschap wordt, zij het eerst nog op de achtergrond, maar de voorgrond spreidt het matrasje voor de man met de zeis, die niks anders moet doen dan genoeglijk achterover leunen, op een bepaald moment met de vingers knipt, en hopla, je gaat zonder verder omhaal de oneindigheid in, en je eigen plaatsje op je eigen Ikea-bank zal voor altijd leeg blijven.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten