donderdag 19 april 2018

Bohumil Hrabal – Zwaarbewaakte treinen


De novelle ‘Zwaarbewaakte treinen’ is het eerste werk van Hrabal dat in Nederlandse vertaling verscheen. Hij schreef het verhaal in 1965. Twee jaar later was deze uitgave er.

Het verhaal speelt aan het eind van de Tweede Wereldoorlog op een klein Tsjechisch treinstation, nabij de Duitse grens. De verteller is Milosch Hrma, een leerling bij de spoorwegen. Hij beschrijft het stationsleven, de passagiers die urenlang in de wachtkamer op hun aansluiting wachten en het voorbij rijden van gewone en zwaarbewaakte treinen. Vooral vertellen hij en zijn collega’s sterke verhalen aan elkaar. De verhalen gaan soms over directe collega’s, zoals dienstleider, tevens perronchef Hubitschka. Milosch krijgt bijvoorbeeld opdracht om ’s nachts het spoor in de gaten te houden terwijl Hubitschka zich met een dame terugtrekt in het kantoor van de stationschef.

Iedere medewerker heeft een titel en probeert op te klimmen in de wat onduidelijke hiërarchie van het spoorwezen. Tijdens een controle valt Hubitschka door de mand. Zijn uniform zit onder de duivenstront, wat normaal is, want hij houdt een duiventil. De vogels zitten graag op zijn hoofd en zijn schouders.

De inspecteur is vooral geschokt door een voorval met telegrafiste Svata. Eens had zij zin om languit op de tafel te gaan liggen. Met haar instemming trok Hubitschka haar broekje uit, waarna de perronchef haar achterwerk bestempelde met stempels van de spoorwegen. De inspecteur noemt het een schandvlekking van de Duitse taal. De stempels bevatten namelijk voor de helft Duitse woorden. “En dat betekent ontering”. Ondertussen rijden er zwaarbewaakte treinen voorbij met gewonde soldaten, vluchtelingen en door ondervoeding mishandelde dieren.

De combinatie van vrolijke anekdotes en gruwelijkheden maakt deze korte roman bijzonder. Hrabal hanteert een lichte toon. Zijn verhaal verspringt telkens. Na een sterk verhaal volgt een ontboezeming van Milosch. Hij vertelt over zijn zelfmoordpoging of over het mislukken van de vleselijke liefde. Dan heeft hij op zeker moment een afspraak met een meisje. Hij benadert de vrouw van de stationschef, die in de kelder ganzen houdt en deze regelmatig wreed de kop omdraait. Hij vraagt de bejaarde vrouw of hij bij haar mag oefenen in de liefde. Zij wijst hem af.

Dierenleed is een thema bij Hrabal. Ook in andere boeken beschrijft hij pijnlijk langdradig wreedheden bij dieren. In dit verhaal arriveert er een transport met vee dat al twee weken onderweg is. Er steken poten en horens uit. Alle dieren hebben de snotziekte. Verschillende liggen er dood. Schapen eten elkaar de vacht van het lijf.  Milosch is van streek door deze aanblik. Hrabal koppelt er direct een reeks vergelijkbare dierenverhalen aan vast, om bij de volgende alinea weer een lichtvoetige anekdote te vertellen.

Zo slingert dit prachtige verhaal naar de ontknoping toe, waarbij Milosch zonder te twijfelen instemt met het plegen van een aanslag op een Duitse munitietrein. Om de stijl en de humor van Hrabal te illustreren tot slot een beschouwing van een machinist, over natuur.

“De natuur kan me gestolen worden, in de natuur beweegt zich alles veel te veel. Wanneer ik naar de natuur zou schilderen, zou ik alles moeten verkleinen. Eén keer heb ik me door de natuur te pakken laten nemen, toen leende ik van school een opgezette vos en zette hem in een bosje tussen de bladeren, maar nog voordat ik begonnen was hem te schetsen, kwamen er twee honden aangerend en scheurden de vos aan stukken! Drie honderd kronen foetsie! Nee, de natuur kan me gestolen worden!”

Geen opmerkingen: