maandag 25 december 2017

Jan Postma – Vroege werken

‘Vroege werken‘ is geweldig vormgegeven. De foto op de voorkant laat een zeer jonge Postma zien. Hij houdt een fototoestel strak op zichzelf gericht. De titel ‘Vroege werken’ is goed gekozen. Je eerste essaybundel deze titel geven, is dat niet wat pretentieus? Postma antwoordt op de achterflap met: “Ik begin graag bij het begin en laat bescheidenheid liever over aan betere mensen.”


De essays in deze bundel zijn grotendeels eerder gepubliceerd in De Correspondent, De Gids en andere tijdschriften. De onderwerpen zijn soms door redacties aangereikt. Jan Postma schrijft over zichzelf en over met name Amerikaanse schrijvers en kunstenaars. Vaak vermengd hij beide werelden met elkaar. Een aantal werken van de fotograaf Mark Steinmetz behandelt hij door zich af te vragen hoe de foto’s zijn genomen en hoe hij zelf bepaalde mensen zou fotograferen. Hij schrijft over de schrijver-essayist-activist Rebecca Solnit. Op een vakantie naar Sicilië neemt een flinke stapel boeken van haar mee. Kunstenaar Tino Sehgal bracht in 2015 in het Stedelijk Museum in Amsterdam een aantal performances, waar Postma een rol in had.

Deze persoonlijke benadering pakt soms wel en soms niet goed uit. Ik ken het werk van de kunstenaars waar hij over schrijft niet goed. Dat hoeft geen bezwaar te zijn. Over de foto’s van Steinmetz zegt hij interessante dingen. Een verhaaltje over een gevonden paraplu wringt hij ertussen. Het voegt weinig toe. De vakantieperikelen op Sicilië koppelt Postma aan citaten uit de essays van Solnit. Hij probeert er zo meer verdieping in aan te brengen, maar liever had ik gelezen dat wat dieper op haar essays zelf zou ingaan.

Het stuk over zijn optreden in de kunstwerken van Tino Sehgal is daarentegen zeer geslaagd. In ‘The Progress’ voeren bezoekers een voortgaand gesprek met vier verschillende mensen die al lopend elkaar afwisselen. Postma luistert het gesprek van zijn voorganger af en vervolgt dit dan met de argeloze bezoeker. In korte tijd ontmoet hij tientallen mensen waar hij soms de meest intense gesprekken mee heeft.

Hij geeft een opsomming: een meisje dat in tranen uitbarst als hij haar vraagt wanneer zij voor het laatst heeft gehuild, een Noorse kunstcriticus die vooral zichzelf wil horen praten, een man in een rolstoel met een ernstige ziekte, gelukkige mensen en tevreden mensen. Het gaat bij dit kunstwerk om een sublieme ervaring. Het werk vormt zich naar de bezoeker. Jan Postma is er onderdeel van en maakt de lezer hier weer onderdeel van.

Prachtig is ook het stuk waarin hij een aantal naamgenoten googelt en stuit op de verzetsman Jan Postma. Hij verdiept zich in zijn levensgeschiedenis, bezoekt het archief en probeert de plek te achterhalen waar hij geëxecuteerd is. Even mooi is het stuk waarin hij terugkeert naar zijn geboortedorp Westkapelle. Hij beschrijft de kermis, de optocht, de oude mannen. Hij denkt terug aan vroeger. Er mag niks veranderen in dit dorp. Aan het einde van de dag is iedereen dronken Zijn vader is geroerd. Hier voelt hij zich thuis. Jan Postma krijgt een gewaarwording van vergankelijkheid. De aard van andermans thuis zijn is ongrijpbaar.

Het is wonderlijk dat deze essays/verhalen op mij zo'n wisselende indruk maken. Bij het ene stuk had ik de neiging bladzijden over te slaan en keek ik uit naar het einde. Een ander stuk las ik geboeid en duurde mij te kort. Het verhaal over Joseph Brodsky herinnerde mij er overigens aan dat ik zijn werk moet herlezen.


Jan Postma kan goed schrijven. Een roman van zijn hand zou ik zeker lezen. Misschien is het stuk ‘Van dooie muizen’ een mooi begin van die roman. Hij schrijft over zijn huis, over wat wonen voor hem betekent en over de muizenplaag. “Ik kan eigenlijk maar twee zaken bedenken die ik tot op zekere hoogte beheers: roken en hier wonen.”

Geen opmerkingen: