zaterdag 9 december 2017

Ap Dijksterhuis – Het slimme onbewuste

Soms krijg ik te horen dat ik zo positief schrijf over de boeken de ik uitlees. Dat klopt, wanneer een boek mij niet bevalt lees ik het niet uit. Dan hoef ik er niet over te schrijven. En sommige auteurs lees ik niet vanwege slechte ervaringen uit het verleden of vanwege een vaag vooroordeel. Bij ‘Het slimme onbewuste’ had ik op basis van de voorkant en de achterflap al een onbewust gevoel dat het geen heel goed boek zou zijn. Toch heb ik doorgezet en het uitgelezen. Mijn onbewuste ik kreeg gelijk.


De centrale stelling in dit boek uit 2007 is dat ons onbewuste een veel grotere rol speelt dan het bewustzijn. Dit geldt voor creatieve processen, voor het nemen van beslissingen, voor waarneming, eigenlijk voor ons hele menselijke handelen. Volgens Ap Dijksterhuis is het onbewuste allesbepalend.

Voor een groot deel kan ik meegaan in dit idee, maar de manier waarop Dijksterhuis schrijft roept bij mij wat wrevel op. In het eerste hoofdstuk wil hij afrekenen met een aantal vooroordelen over het onbewuste en het bewustzijn. Vaak begint hij zijn betoog in bewoordingen als ‘mensen denken dat’. Hij versimpelt dan de vooroordelen en kan zo eenvoudig de onhoudbaarheid van de standpunten van zijn tegenstanders aantonen. Dit is een bekende argumentatietruc.

Op pagina 40 haalt Dijksterhuis een gangbare definitie aan van het onbewuste: “alle psychologische processen waarvan we ons niet bewust zijn, maar die ons gedrag (of ons denken, of onze emoties) wel beïnvloeden.” Vreemd is dat hij in het vervolg deze definitie niet hanteert en het onbewuste meer als een eenvormig iets ziet. Hij versimpelt het onbewuste omwille van zijn betoog. Pas aan het eind van zijn boek haalt hij de complexiteit van het onbewuste – een serie processen of modules – weer even aan.

In een paragraaf over eerste indrukken en ‘thin slices of behavior’ vertelt hij dat mensen vaak aan een korte impressie voldoende hebben om een persoon of een situatie juist in te schatten. Hij illustreert dit aan de hand van een aantal leuke proeven. Jammer is dat hij niet ook de keerzijde laat zien. Uit veel ander onderzoek blijkt namelijk dat bijvoorbeeld bij de keuze van sollicitanten de eerste indruk vaak niet de beste is.

Daniel Kahneman heeft hierover geschreven. Hij onderscheidt twee systemen in ons denken. Systeem 1 is onze intuïtie, die ervoor zorgt dat we snel beslissingen nemen. De hele dag door maken we gebruik van dit systeem om te reageren op onze omgeving. Systeem 2 wordt gebruikt om ingewikkelde zaken op te lossen. Systeem 2 is lui (laziness is built deep into our nature) en moet geactiveerd worden. Als systeem 1 een oplossing heeft die aannemelijk klinkt blijft 2 inactief

In de woorden van Dijksterhuis kun je zeggen dat het onbewuste een oordeel geeft over een situatie of persoon, maar dat voor een ingewikkelde beslissing dit niet altijd de juiste is. Het bewustzijn (systeem 2) moet hiervoor geactiveerd worden. Dijksterhuis brengt deze nuance echter niet aan.

Onbewust waarnemen krijgt bij Dijksterhuis veel aandacht. Daarmee rekent hij terecht af met allerlei onzin rond subliminale beïnvloeding. Het meest bekende voorbeeld stamt uit 1957 toen een Amerikaanse onderzoeker beweerde dat het tijdens een film in een flits laten zien van de tekst ‘Drink cola’ leidt tot meer consumptie van de frisdrank. Later gaf hij zelf toe de boel geflest te hebben. Wij worden door onbewuste waarneming beïnvloed, maar dit gebeurt in zo’n grote hoeveelheid en het effect is van zo’n korte duur, dan het moeilijk is het lange termijn effect van één onbewuste waarneming precies te bepalen.

Dijksterhuis haalt in zijn boek een reeks proeven aan, waarbij geprobeerd werd te achterhalen waarom mensen bepaalde keuzes maken. Onbewuste processen zijn hierbij vaak richtinggevend. Dit geldt voor zowel kleine beslissingen als grote keuzes, zoals een huis kopen. Bijzonder is dat bewust nadenken veelal niet tot betere keuzes leidt. Afleiding en een onbewust proces het werk laten doen kan wel helpen bij het maken van een betere keuze. Bij de voorbeelden die Dijksterhuis aanhaalt gaat het  vaak om puzzels waarvan de uitkomst gemeten kan worden. Bij een huis kopen is het lastiger om achteraf met zekerheid te zeggen of je een goeie keuze hebt gemaakt. Hierbij speelt mee dat mensen geneigd zijn genomen keuzes van deze omvang achteraf goed te praten. Dijksterhuis noemt deze nuance niet.

Een bezwaar van mij is dat Dijksterhuis mensen in dit soort onderzoek ziet als inwisselbare onderzoeksobjecten. Ik denk dat bij de ene mens lang nadenken niet leidt tot betere beslissingen, maar bij een ander mens wellicht wel. Sommige mensen kunnen misschien sowieso niet zo goed nadenken. Zou je deze mensen weglaten uit je onderzoek, dan krijg je misschien een ander beeld.

Wanneer Dijksterhuis creativiteit en de geniale inval behandelt schiet hij volgens mij uit de bocht. Hij geeft wat voorbeelden van wetenschappers, waaronder Einstein en kunstenaars, waaronder Mozart uit de film Amadeus, om te laten zien dat een idee plotseling kan opkomen uit je onbewuste en dat bewust nadenken vaak niet tot een dergelijk geniaal idee leidt. Hij heeft het er dan over dat bewuste processen als lezen wel belangrijk zijn, maar de echte ontdekking komt uit het onbewuste. Ik denk dat hij hiermee jarenlange studie, dagelijks werken in het lab of oefenen achter de piano nogal onderschat.

Hij haalt een voorbeeld aan van een kunstkenner die in één oogopslag zag, of eerder voelde, dat een werk vervalst was. Hij kon het niet onder woorden brengen, maar hij wist het. Dijksterhuis ziet dit als een onbewust proces. Ik denk dat hij vergeet dat hier jarenlange bewuste studie aan vooraf is gegaan om dit gevoel te ontwikkelen. Wanneer ik mijn onbewuste ik ruimte geeft komen er zeker ideeën naar boven, maar ik zal nooit op deze manier een geniale natuurkundige ontdekking doen of een prachtige pianosonate componeren. Dijksterhuis heeft over de geniale inval een nogal romantisch beeld.

Los van al deze kritiek vond ik ‘Het slimme onbewuste’ toch waardevol om te lezen. Het zet je in ieder geval aan het denken. Mooi is het hoofdstuk over imitatiegedrag tussen mensen. Mensen die elkaar (onbewust) imiteren vinden elkaar aardiger. En “we imiteren mensen ook meer naarmate we ze aardiger vinden”. Hij legt hier een link met mensen met autisme, die meer in zichzelf gekeerd zijn, minder imiteren en daarom minder gevoel naar andere mensen ontwikkelen. Wat oorzaak en gevolg is laat ik even in het midden.

Het hoofdstuk over Benjamin Libet is cruciaal in het betoog van Dijksterhuis. Libet onderzocht door middel van het meten van de elektrische activiteit van neuronen met een EEG hoe snel mensen onbewust reageren in vergelijking met het nemen van een bewuste beslissing en het uitvoeren van een handeling. De uitkomst was zeer verrassend. De proefpersonen dachten een bewuste keuze gemaakt te hebben, maar in hun brein was te zien dat onbewust het besluit al genomen was. Dit onderzoek is vaak herhaald, met dezelfde uitkomst. Het heeft de deur opengezet naar allerlei filosofische vragen over het wel of niet bestaan van een vrije wil. Het is boeiende materie, waar Dijksterhuis kort op in gaat.


In het laatste hoofdstuk herhaalt Dijksterhuis de eerder getrokken conclusie dat bewuste processen nauwelijks een rol spelen in ons gedrag. Al met al vind ik dit wat te simpel. Het onderwerp is echter bijzonder interessant. Kritisch lezen van ‘Het slimme onbewuste’ is daarom wel een aardige inleiding op het onderwerp.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten